Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA5712

Datum uitspraak2007-04-26
Datum gepubliceerd2007-05-25
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200600893
Statusgepubliceerd


Indicatie

Overgangsbepalingen. Einde alimentatieverplichting. Verlenging met afbouwregeling.


Uitspraak

PJ 26 april 2007 Sector Civiel Recht Rekestnummer R200600893 Zaaknummer eerste aanleg 154181 FA RK 05-5052 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Beschikking in de zaak in hoger beroep van: [X.], wonende te [woonplaats], appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, de vrouw, procureur mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann, t e g e n [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel, de man, procureur mr. J.E. Benner. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de op 30 mei 2006 door de rechtbank Breda tussen partijen gegeven beschikking, waarvan de inhoud bij hen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 2 augustus 2006, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw wordt verlengd tot 26 maart 2013, met bepaling dat na ommekomst van deze termijn verlenging mogelijk is. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 augustus 2006, heeft de man het verzoek van de vrouw bestreden. Tevens heeft de man hierbij incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, primair: te bepalen dat de verplichting tot het voldoen van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2006, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, zal worden beëindigd, met bepaling dat de eventueel vast te stellen termijn niet meer kan worden verlengd; subsidiair: te bepalen dat de verplichting tot het voldoen van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van een door het hof te bepalen datum zal worden beëindigd onder vaststelling van een afbouwregeling die door het hof juist wordt geacht, met bepaling dat de eventueel vast te stellen termijn niet meer kan worden verlengd; meer subsidiair: de bestreden beschikking te bekrachtigen, zonodig onder aanvulling van gronden; uiterst subsidiair: de beschikking van de rechtbank Breda d.d. 16 augustus 1999 te wijzigen in die zin dat de daarin opgelegde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2006, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, op nihil zal worden gesteld, althans zodanig zal worden verlaagd als het hof juist acht; en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 september 2006, heeft de vrouw het verzoek van de man in het incidenteel appel bestreden. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 januari 2007. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord. 2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van - de producties, overlegd bij het beroepschrift en de beide verweerschriften; - de brief met bijlagen van de procureur van de man van 29 december 2006; - de brief van de advocaat van de vrouw van 1 februari 2007; - de brief met bijlage van de procureur van de man van 2 februari 2007. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het incidenteel beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. Partijen zijn gewezen echtgenoten. Hun huwelijk is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand op 23 mei 1991 van het tussen hen door de rechtbank Breda op 26 maart 1991 gewezen echtscheidingsvonnis. De door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is voor het laatst bij beschikking van voormelde rechtbank van 16 augustus 1999 met ingang van 1 juli 1999 vastgesteld op ƒ 3.700,-- (€ 1.678,99) per maand. Ten tijde van de indiening van het inleidend verzoek van de man beliep de alimentatie door toepassing van de wettelijke indexering € 2.020,16 per maand. 4.2. De zaak betreft limitering van partneralimentatie. De rechtbank heeft op het inleidend verzoek van de man diens onderhoudsverplichting jegens de vrouw beëindigd per 26 maart 2013, de datum waarop de vrouw de vijfenzestigjarige leeftijd bereikt. Daarbij heeft de rechtbank de alimentatie als volgt nader vastgesteld: - met ingang van 1 januari 2007 op € 1.850,-- per maand; - met ingang van 1 januari 2008 op € 1.680,-- per maand; - met ingang van 1 januari 2009 op € 1.510,-- per maand; - met ingang van 1 januari 2010 op € 1.340,-- per maand; - met ingang van 1 januari 2011 op € 1.170,-- per maand; - met ingang van 1 januari 2012 op € 1.000,-- per maand. De rechtbank bepaalde dat de termijn na 26 maart 2013 niet kan worden verlengd en zij sloot de wettelijke indexering uit. 4.3. De rechtbank heeft overwogen dat beëindiging van de onderhoudsverplich-ting eerst met ingang van 23 mei 2006 aan de orde kan zijn. De rechtbank is van oordeel dat de onderhoudsverplichting vijftien jaar daarvóór is ingegaan, omdat toen de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand heeft plaatsgevonden. Daarmee is de man het niet eens. Volgens hem heeft als ingangsdatum van de onderhoudsverplichting te gelden 1 januari 1991, omdat partijen die datum bij echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen. Naar het oordeel van het hof is het standpunt van de man juist. Uit de tekst van artikel II Wet Limitering Alimentatie (hierna “WLA”) en uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling blijkt dat beslissend voor de toepassing van de in de leden 2 tot en met 4 van artikel II WLA vervatte regels van overgangsrecht voor “oude gevallen” (te weten uitkeringen tot levensonderhoud die door de rechter zijn toegekend of tussen partijen zijn overeengekomen vóór inwerking-treding van die wet) is de datum waarop ingevolge rechterlijke uitspraak of overeenkomst de verplichting tot betaling van levensonderhoud een aanvang heeft genomen. Aangezien partijen bij echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat de alimentatieverplichting van de man ingaat op 1 januari 1991, is deze verplichting in beginsel op 1 januari 2006 geëindigd. 4.4.1. De vrouw heeft gesteld dat beëindiging van de alimentatieverplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dermate ingrijpend is, dat dit niet van haar kan worden gevergd. 4.4.2. Het hof oordeelt als volgt. Als het zou gaan om een onmiddellijke beëindiging of om een beëindiging op een termijn van 2 dan wel 3 jaren, zoals door de man is bepleit, moet de vraag of een zodanige beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dermate ingrijpend is dat dit niet van de vrouw kan worden gevergd, bevestigend worden beantwoord. Met de rechtbank is het hof echter van oordeel dat een beëindiging van de alimentatieverplichting op termijn met een gefaseerde afbouw van de alimentatie op de wijze zoals de rechtbank heeft bepaald, voor de vrouw niet zodanig ingrijpend kan worden geacht, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Ook rekening houdend met de belangen van de man moet de door de rechtbank toegepaste afbouwregeling passend worden geacht. De eerste grief van de vrouw faalt dus. Een afbouwregeling die de man subsidiair voorstaat, waarbij de onderhouds-verplichting al wordt beëindigd voordat de vrouw de vijfenzestigjarige leeftijd bereikt, komt naar het oordeel van het hof in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Uit het voorgaande volgt dat de zesde grief van de man eveneens faalt, 4.5. Het hof verwijst naar de door de rechtbank in de bestreden beschikking opgesomde feiten en omstandigheden, die zij in haar oordeelsvorming heeft betrokken. Ook het hof gaat daarvan uit. Voorts acht het hof nog het volgende van belang. 4.6. De man heeft gesteld dat de vrouw de bovenetage van haar woning kan verhuren omdat de vrouw, gelet op haar lichamelijke beperkingen, die etage toch niet zelf kan gebruiken. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verhuur een dermate vergaande inbreuk op haar privacy zou impliceren, dat zulks alleen al om die reden in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. 4.7. Naar de overtuiging van het hof is de lichamelijke gesteldheid van de vrouw thans zodanig, dat er niet van kan worden uitgegaan dat zij de inkomensachter-uitgang geheel of ten dele zou kunnen opvangen door inkomsten uit arbeid. De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling onbetwist verklaard dat de vrouw concentratieproblemen heeft en lijdt aan een woord-vindingsstoornis, symptomen vergelijkbaar met die welke optreden bij afasie. Het hof heeft overigens zelf geconstateerd dat de vrouw moeite heeft om zich uit te drukken op de wijze die zij wenst. De door de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling geopperde mogelijkheid tot werk voor de vrouw als telemarketeer ligt dan ook in het geheel niet voor de hand. 4.8. De vrees van de vrouw dat de door de rechtbank genomen beslissing in elk geval op termijn ertoe zal leiden dat zij haar woning zal moeten verkopen is naar het oordeel van het hof ongegrond. Zoals tijdens de mondelinge behandeling door het hof met partijen besproken, kan de vrouw kiezen voor de vestiging van een krediethypotheek op haar woning. Dat de vrouw dit niet wenst, doet aan de mogelijkheid daartoe niet af. 4.9. Anderzijds dient er aan de man duidelijkheid te worden gegeven met betrekking tot het moment waarop zijn onderhoudsverplichting ten opzichte van de vrouw eindigt. Hoewel de man zijn draagkracht tot betaling van de door de rechtbank in haar beslissing van 16 augustus 1999 vastgestelde bijdrage niet betwist, betrekt het hof bij de beëindiging van de alimentatieverplichting wel dat de man hertrouwd is. De man heeft jegens zijn huidige echtgenote op grond van het bepaalde in art. 1:81 BW de verplichting haar het nodige te verschaffen. De verplichting jegens de huidige echtgenote van de man kan de alimentatieverplich-ting jegens de vrouw niet zonder meer opzij zetten. Bij belangenafweging in het kader van een limiteringsverzoek dient aan een nieuw huwelijk evenwel in redelijkheid meer betekenis te worden toegekend dan bij de vaststelling of wijziging van de partneralimentatie gedurende de wettelijke alimentatietermijn. Voorts acht het hof van belang dat de man op 31 augustus 2012 de pensioen-gerechtigde leeftijd bereikt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het inkomen vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd daalt, terwijl niet te verwachten is dat de man die inkomensachteruitgang geheel of grotendeels zal kunnen compenseren met inkomsten uit zijn tamelijk beperkte vermogen. Daarbij geldt dat uit de door de man overgelegde belastingaangiften en -aanslagen niet is gebleken dat de man dusdanig vermogend is dat doorbetaling van de alimentatie voor hem financieel naar verhouding nauwelijks verschil maakt. Al met al is het hof van oordeel dat de verlenging van de termijn gedurende welke de onderhoudsverplichting nog loopt, niet mogelijk is. De tweede grief van de vrouw faalt dus. 4.10. Op grond van het vorenstaande behoort de bestreden beschikking te worden bekrachtigd. De verder nog door de man aangevoerde grieven behoeven geen afzonderlijke bespreking, nu de in de toelichting op zijn overige grieven genoemde argumenten niet tot een ander oordeel kunnen leiden. 5. De beslissing Het hof: bekrachtigt de op 30 mei 2006 door de rechtbank Breda tussen partijen gegeven beschikking. Deze beschikking is gegeven door mrs. Gründemann, Bijleveld-van der Slikke en Raab en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 april 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.